ECLI:NL:RBDHA:2021:16471
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bloedwraakdreiging en inreisverbod
Eiser diende een asielaanvraag in op grond van dreiging vanuit de familie van een gedode Taliban-lid, waarbij zijn vader betrokken was. De aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser voerde aan dat de procedure onzorgvuldig was, dat hij werd belemmerd in het verzamelen van bewijs en dat de geloofwaardigheid van zijn verhaal onterecht werd betwist.
De rechtbank oordeelde dat de identiteit van eiser geloofwaardig was, maar de dreiging vanuit bloedwraak niet aannemelijk was gemaakt. De procedure werd als zorgvuldig beoordeeld, ondanks beperkingen in het contact met de gemachtigde en het verzamelen van bewijs. De rechtbank vond het verslag van het nader gehoor weliswaar rommelig, maar niet zodanig dat dit de beoordeling beïnvloedde.
Verder werd vastgesteld dat verweerder terecht geen voordeel van de twijfel gaf en dat de beoordeling van de geloofwaardigheid adequaat was gemotiveerd. De algemene situatie in Afghanistan werd niet als 15c-situatie aangemerkt, en het inreisverbod werd bevestigd ondanks een formele tekortkoming in de vermelding van het derde land, omdat dit voor eiser duidelijk was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod.