Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij is tevens ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Aan eiser wordt evenmin uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000.
Overwegingen
- Eiser is [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2002, en in het bezit van de Afghaanse nationaliteit. Hij is Hazara en afkomstig uit [plaats] .
- Hij is ontvoerd en verkracht door onbekende mannen.
Waarom de Afdeling Elgafaji verkeerd interpreteert”. In dit artikel merkt gemachtigde Verbaas op dat andere (buitenlandse) rechters en het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken (EASO) wel een glijdende schaal toepassen. Zo hanteert het Bundesverwaltungsgericht als criterium voor de ernstige en individuele bedreiging zogeheten ‘gevaar verhogende’ persoonlijke omstandigheden. Dergelijke gevaar verhogende omstandigheden zijn in de eerste plaats persoonlijke omstandigheden die een groter risico op willekeurig geweld opleveren omdat die vaker worden aangetroffen bij algemeen, niet-gericht geweld. Volgens gemachtigde Verbaas valt hierbij te denken aan iemand die professional is, bijvoorbeeld een arts of journalist die wordt gedwongen in de buurt van de ‘gevarenbron’ te blijven. Verder houdt het Bundesverwaltungsgericht rekening met persoonlijke omstandigheden zoals religieuze of etnische afkomst, aldus gemachtigde Verbaas. In zijn optiek kunnen zich juist in Afghanistan situaties voordoen waarin de toepassing van de glijdende schaal tot een andere uitkomst kan leiden dan de inschatting van het risico op basis van artikel 3 van Pro het EVRM. Gemachtigde Verbaas wijst op de werkwijze van EASO, die vier niveaus van willekeurig geweld onderscheidt en dat voor Afghanistan per provincie in kaart heeft gebracht. Volgens EASO moet over de risico’s bij terugkeer een diepgaand onderzoek plaatsvinden naar een breed scala aan elementen om een beeld te krijgen van de lokale situaties en omstandigheden. EASO noemt in het landspecifieke richtsnoer van Afghanistan de volgende risicoprofielen van willekeurig geweld: a) burgers die niet in staat zijn om hun situatie goed te beoordelen en daardoor blootstaan aan risico’s in verband met willekeurig geweld (bijvoorbeeld kinderen die afhankelijk zijn van hun omgeving, familie, ouders of verzorgers, en personen met een geestelijk handicap), b) personen die minder goed in staat zijn risico’s van willekeurig geweld te vermijden door beschutting te zoeken tegen gevechten of aanvallen (bijvoorbeeld personen met een handicap of ernstige zieken; of zij die zich in een uiterst slechte economische situatie bevinden), en c) burgers die door geweld aanzienlijk en materieel kunnen worden getroffen door hun geografische nabijheid tot een mogelijk doelwit (bijvoorbeeld overheidsgebouwen, politiebureaus, legerbases of gebedsplaatsen). Daarnaast wijst gemachtigde Verbaas op de (niet speciaal voor Afghanistan geschreven) Handleiding van EASO waar bij risicofactoren ook worden genoemd “
psychologische of mentale schade”, bijvoorbeeld ten gevolge van “
indirecte vormen van geweld zoals afpersing, in beslagname van eigendom, overvallen op huizen en ondernemingen, checkpoints en ontvoeringen.” Het landspecifieke richtsnoer noemt het gegeven dat iemand wordt gezien als vermogend (‘Afghans perceived as wealthy’) als een factor die ontvoering en afpersing tot gevolg kan hebben. Soms worden terugkerende vluchtelingen ook als vermogende mensen gezien. Verder is gemachtigde Verbaas van mening dat de etnische achtergrond, zoals het zijn van Hazara, een relevante omstandigheid vormt voor de beoordeling of iemand bescherming behoeft onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens gemachtigde Verbaas zijn juist Hazara vaak het speciale doelwit van aanslagen van de Islamitische Staat. Ze zijn gemakkelijk herkenbaar en ook nog eens sjiieten, die zowel door de Taliban als de Islamitische Staat worden gezien als ongelovigen.
“5.4. Onder de huidige omstandigheden, die in negatieve zin afwijken van die ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2917:1413, kan de staatssecretaris zich dan ook niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat het behoren tot de Hazara in Afghanistan geen relevante factor is die afzonderlijk en kenbaar moet worden meegewogen bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Het feit dat individuele Hazara-asielzoekers volgens de staatssecretaris geregeld ook zijn in te delen in één van de wel in het beleid opgenomen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen en dit tot vergunningverlening leidt, draagt juist bij aan het beeld dat Hazara een groter risico lopen dan andere asielzoekers uit Afghanistan en rechtvaardigt een motivering ter zake. Dat de Hazara in bepaalde gebieden, zoals de wijk Dash-e-Barchi in [plaats] , niet in de minderheid zijn, sluit bovendien niet uit dat zij daar een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep in de Vc 2000 vormen (zie de in 4 vermelde uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016). Zij kunnen immers juist daarom het slachtoffer worden van specifiek op hen gericht geweld (…)”.
The government’s most recent steps to tackle the unprecedented increase in the criminal treat to the lives of [plaats] residents have been quite remarkable, as they include a more confrontational approach towards criminals. Even some of those perceived as politically connected were singled out. (…) Indeed, during the following months, many wanted criminals, notorious for kidnappings and murders, were caught by the police or killed in encounters.”
- Kwetsbare minderheidsgroep
- artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.575,00.