Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Commandant DienstenCentrum Internationale Ondersteuning Defensie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Het standpunt van verweerder is dat eiser met zijn rekest verzoekt om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 14 oktober 2014 (salarisafrekening) waaruit bleek dat eiser niet in aanmerking kwam voor de vergoeding voor voeding. De toekenning van een vergoeding aan enkele collega’s is een novum, maar omdat die toekenning berust op een onjuiste uitleg van de regelgeving, is verweerder niet gehouden die fout te herhalen.
Eiser heeft ook niet gesteld dat hij in de bewuste periode voor voeding kosten heeft moeten maken waarvan het niet redelijk is dat geen aanspraak op vergoeding bestaat. Feitelijk betreurt eiser - die heeft moeten vaststellen dat vanaf 2017 aan collega-leerling-vliegers naar thans vaststaat ten onrechte wel een vergoeding is uitbetaald - dat verweerder in zijn opleidingsperiode een uitvoeringspraktijk voerde die de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Deze emotie van eiser is niet onbegrijpelijk, maar levert geen rechtsgrond op om te oordelen dat verweerder een na het verblijf van eiser in de VS ontstane onjuiste uitvoeringspraktijk in het geval van eiser met terugwerkende kracht moet toepassen. Het gelijkheidsbeginsel strekt hiertoe niet.