ECLI:NL:RBDHA:2021:3942
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning niet gerechtvaardigd onder Turks Associatierecht
Eiser, een 22-jarige man die op zijn dertiende vanuit Turkije naar Nederland kwam, kreeg zijn verblijfsvergunningen voor bepaalde en onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege zijn criminele verleden. Verweerder stelde dat eiser niet onder het Turks Associatierecht viel en dat hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor de samenleving.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel rechten ontleent aan artikel 7 van Pro het Besluit 1/80, omdat zijn ouders tot de legale arbeidsmarkt van Nederland behoren. Verweerder had ten onrechte een aanvullende eis van drie jaar arbeid gesteld die niet strookt met jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie.
Hoewel eiser meerdere veroordelingen heeft, waaronder geweldsdelicten, concludeerde de rechtbank dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat de recente feiten een voldoende ernstige bedreiging vormen. De afname in ernst van de delicten en de omstandigheden van de laatste veroordelingen werden onvoldoende meegewogen.
Daarom was de intrekking van de verblijfsvergunningen, het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet rechtmatig. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunningen wordt vernietigd.