Eiser, eigenaar van een rijksmonumentaal pand, stelde handhavingsverzoeken tegen diverse bouwactiviteiten aan het aangrenzende perceel van derde-partijen. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Gouda, wees sommige verzoeken af en verleende vergunningen voor andere werkzaamheden, waaronder de rookgasafvoer, kozijnen en serre.
Het beroep richtte zich op de erfafscheiding, rookgasafvoer, kozijnen, serre en zonwering. De rechtbank oordeelde dat de erfafscheiding hoger dan 2 meter was gemeten vanaf het perceel van derde-partijen, dat als natuurlijke terreinhoogte geldt, waardoor geen vergunning vereist was. De schutting stond echter in een beschermd stadsgezicht en was naar openbaar gebied gekeerd, waardoor de vergunningvrije regeling niet van toepassing was. Dit betoog slaagde.
Ten aanzien van de rookgasafvoer en kozijnen oordeelde de rechtbank dat de vergunningverlening terecht was, mede gelet op het Bouwbesluit en de Welstandsnota. Voor de serre was een monumentenvergunning verleend en advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed niet vereist. De zonwering was ten onrechte zonder vergunning geplaatst, wat verweerder erkende.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de erfafscheiding en zonwering, vernietigde het besluit voor deze onderdelen en beval een nieuw besluit. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.