ECLI:NL:RBDHA:2022:1163
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring asielaanvraag minderjarige statushouder met bescherming in Oostenrijk
Eiser, een minderjarige met de Syrische nationaliteit, diende op 8 augustus 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser internationale bescherming geniet in Oostenrijk sinds april 2021. Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was en dat zijn belangen als minderjarige onvoldoende waren meegewogen, onder meer vanwege zijn verblijf bij zijn oom in Nederland en de beperkte mogelijkheden tot gezinshereniging in Oostenrijk.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet, omdat eiser een zodanige band met Oostenrijk heeft dat het redelijk is dat hij daar verblijft. De rechtbank vond geen schending van het vertrouwensbeginsel en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn welzijn en sociale ontwikkeling in het geding zouden zijn bij terugkeer naar Oostenrijk.
Ook de aanwezigheid van de oom in Nederland bood geen voldoende grond om van eiser te verlangen in Nederland te mogen blijven. De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.