Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend op 3 juli 2021. De staatssecretaris had de beslistermijn op 20 december 2021 met negen maanden verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege complexe juridische kwesties. Later trad WBV 2022/22 in werking, die een automatische verlenging van negen maanden mogelijk maakt, maar de rechtbank oordeelt dat deze verlenging niet kan worden toegepast als de beslistermijn al eerder met negen maanden is verlengd.
De rechtbank legt uit dat artikel 31, derde lid, derde zin, van de Procedurerichtlijn, en daarmee artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000, een maximale verlenging van negen maanden voorschrijven, ongeacht het aantal verlengingsgronden. Dit is in lijn met de doelstellingen van de richtlijn om binnen een redelijke termijn te beslissen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt vast dat de beslistermijn op 4 oktober 2022 is verstreken.
De rechtbank wijst een termijn van acht weken toe aan de staatssecretaris om alsnog een besluit te nemen, omdat de maximale termijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn is verstreken en er geen bijzondere omstandigheden zijn. Tevens legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500, voor elke dag dat de termijn wordt overschreden. De bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van €837 aan proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, op 13 juli 2023.