ECLI:NL:RBDHA:2022:12966

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
5 december 2022
Zaaknummer
NL22.23222
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a VwArt. 5.1b VbArt. 4.21 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking aan toezicht

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 14 november 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is genomen omdat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren.

Verweerder heeft zware gronden aangevoerd, waaronder het onrechtmatig binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet naleven van een terugkeerbesluit en onvoldoende medewerking aan het vaststellen van identiteit. Daarnaast zijn lichte gronden genoemd zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, onvoldoende middelen van bestaan, eerdere veroordelingen en het verrichten van arbeid in strijd met de wet.

De rechtbank oordeelt dat de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4a, 4d, 4e en 4f voldoende zijn om de maatregel te dragen. De lichte grond 4c (geen vaste woon- of verblijfplaats) wordt niet aan het besluit ten grondslag gelegd vanwege onvoldoende motivering. Er is voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en geen lichter middel is effectief gebleken.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.23222

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend het beroep schriftelijk te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 november 2022 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb [2] , als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Eiser heeft het bestreden besluit in beroep niet inhoudelijk betwist. De rechtbank is echter gehouden de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen. [3]
4. Verweerder heeft terecht de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Zo is eiser zonder geldig reisdocument met een geldig visum Nederland ingereisd. Hij heeft ook geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Verder is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waaraan hij geen gevolg heef gegeven. Eiser beschikt ook niet over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb en heeft geen activiteiten ondernomen om zich alsnog van de juiste documenten te voorzien.
5. De zware grond 3i kan echter niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Dat eiser feitelijk geen gevolg heeft gegeven aan zijn terugkeerbesluit kan niet zonder meer gelijk worden gesteld met een kennisgeving dat hij hieraan geen gevolg zal geven. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser nimmer voorafgaand aan zijn inbewaringstelling (expliciet) heeft verklaard dat hij Nederland niet wil verlaten.
6. Verweerder heeft verder de lichte gronden 4a, 4d, 4e en 4f voldoende gemotiveerd aan de maatregel ten grondslag gelegd. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser geen document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb heeft getoond, geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf en zijn verblijfsadres niet heeft doorgegeven. Daarmee onttrekt eiser zich aan het toezicht en ontwijkt hij de voorbereiding van zijn terugkeer. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat 50 euro onvoldoende is om in eisers levensonderhoud te voorzien of de terugreis naar het land van herkomst te kunnen bekostigen. Verder is eiser vanwege diefstallen meermaals in contact gekomen met de politie en veroordeeld. Eiser heeft ook arbeid verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Ook hieruit blijkt dat eiser zijn vertrek ontwijkt, dan wel belemmert.
7. Aan lichte grond 4c heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich door het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats niet beschikbaar stelt voor voorbereidingen op terugkeer en/of de verwijderingsprocedure. Nu eiser heeft verklaard dat op de Jacob Catsstraat in Den Haag verblijft, was het aan verweerder om te motiveren dat eiser desondanks geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de feitelijke juistheid van lichte grond 4c toe te lichten. De lichte grond 4c kan daarom niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit.
8. Gelet op het voorgaande resteren de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4a, 4d, 4e en 4f. Op grond van artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb zijn deze gronden voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
9. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat uit de gronden zoals gemotiveerd in de maatregel van bewaring een significant risico op onttrekking aan het toezicht volgt. Verweerder heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dat risico te ondervangen. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
10. Verweerder werkt ook voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser. Eiser is op 14 november 2022 in bewaring gesteld en verweerder heeft binnen zes dagen een aanvang gemaakt met de daadwerkelijke voorbereiding van eisers overdracht. [4] Verweerder heeft immers op 18 november 2022 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op 19 november 2022 is tevens een aanvraag voor een vervangend reisdocument ingevuld.
11. Tot slot heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd waarom sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot het oordeel dat sprake is van onvoldoende zicht op uitzetting naar Marokko.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505.