Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 19,
- de akte overlegging producties van [eiser] .
2.De feiten
Bijzondere omstandigheid:
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een melkveehouder die schadevergoeding vordert van de Staat wegens een onrechtmatig opgelegde last onder bestuursdwang in 2014, die leidde tot het verminderen van zijn veestapel. Hoewel de onrechtmatigheid van het besluit later is erkend door de minister en bevestigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven, heeft de eiser destijds geen bezwaar gemaakt tegen het besluit en is het niet herroepen of ingetrokken.
De rechtbank overweegt dat formele rechtskracht toekomt aan bestuursbesluiten waartegen geen tijdig en succesvol bezwaar of beroep is ingesteld. Dit betekent dat de burgerlijke rechter in beginsel niet de onrechtmatigheid van het besluit kan toetsen. De eiser kon geen uitzondering op dit beginsel bewijzen, omdat de erkenning van onrechtmatigheid pas na het verstrijken van de bezwaar- en beroepstermijn plaatsvond.
De eiser stelde dat de gevolgen van de last onder bestuursdwang in latere fosfaatrechtenbesluiten doorwerkten, maar de rechtbank vond dit onvoldoende reden om af te wijken van het beginsel van formele rechtskracht. De fosfaatrechten waren immers aangepast met inachtneming van de bijzondere omstandigheden. De vorderingen tot schadevergoeding worden daarom afgewezen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding af vanwege het beginsel van formele rechtskracht van de last onder bestuursdwang.