ECLI:NL:RBDHA:2022:13718
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag afgewezen wegens overdracht aan Frankrijk zonder risico op indirect refoulement
Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 19 april 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is gesteld voor de behandeling van de aanvraag en dit land het verzoek tot terugname heeft aanvaard.
Eiser betoogde dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot indirect refoulement, omdat het Franse beleid ten aanzien van Somaliërs uit Zuid- en Centraal-Somalië wezenlijk verschilt van het Nederlandse beleid en hij in Frankrijk geen internationale bescherming zou krijgen. Hij overhandigde een Franse rechtbankuitspraak ter onderbouwing.
De rechtbank toetste dit aan het toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat een vreemdeling aannemelijk moet maken dat het beschermingsbeleid evident en fundamenteel verschilt en dat ook de rechter in de verantwoordelijke lidstaat bescherming zal ontzeggen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan deze bewijslast. De enkele Franse uitspraak was onvoldoende, mede omdat eiser geen hoger beroep had ingesteld.
Daarom zag de staatssecretaris geen aanleiding om de aanvraag aan zich te trekken en verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.