ECLI:NL:RBDHA:2022:13783
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op asielverzoek wegens geen toepassing uitsluitingsgrond en geen 3 EVRM risico
Eiseres, met de Jordaanse nationaliteit, en haar minderjarige kinderen, die staatloos zijn, hebben een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de Staatssecretaris is afgewezen. Eiseres betoogde onder meer dat zij en haar kinderen onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag vallen vanwege eerdere bescherming door de UNRWA en dat zij in Jordanië als vrouwen in een achtergestelde positie verkeren, waardoor zij risico lopen op schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat eiseres en haar kinderen niet onder de uitsluitingsgrond vallen omdat zij niet kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk bijstand van de UNRWA hebben ontvangen. De vaccinatie van de oudste dochter door de UNRWA is onvoldoende om dit anders te beoordelen. Tevens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres en haar kinderen in Jordanië een reëel risico lopen op ernstige schendingen van artikel 3 EVRM Pro, mede omdat zij geen concrete problemen hebben ervaren en algemene rapporten over achterstelling onvoldoende specifiek zijn.
Ook is geoordeeld dat de jongste dochter niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning, omdat niet is aangetoond dat zij Nederland buiten haar schuld niet kan verlaten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.