ECLI:NL:RVS:2022:1129
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing in hoger beroep over verblijfsvergunning asiel wegens toepassing artikel 1(D) Vluchtelingenverdrag
De vreemdeling, van Palestijnse afkomst en staatloos, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris werd afgewezen op grond dat hij niet kort vóór zijn asielaanvraag bijstand van de UNRWA had ontvangen. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat het criterium volgens haar niet zo strikt moest worden uitgelegd.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag strikt moet worden toegepast en dat de vreemdeling niet aan het criterium voldeed, omdat hij sinds 2012 geen bijstand meer ontving. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dit standpunt en vernietigt de uitspraken van de rechtbank.
De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling van de overige beroepsgronden over internationale bescherming. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 april 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de eerdere uitspraken zijn vernietigd en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.