ECLI:NL:RBDHA:2022:15219
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing ondernemingsplan
Eiser, een Turkse nationaliteit, diende op 9 september 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag werd op 28 oktober 2020 afgewezen omdat eiser niet voldeed aan het documentatievereiste, met name het ontbreken van een uittreksel uit het handelsregister en een volledig ondernemingsplan. In bezwaar en beroep stelde eiser dat zijn ondernemingsplan voldoende was en dat hij niet alle documenten kon overleggen omdat hij formeel nog niet mocht werken.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet alle vereiste documenten aan zijn aanvraag ten grondslag had gelegd en dat dit hem tegengeworpen kon worden. Het ondernemingsplan was te summier, onvolledig en onvoldoende toegespitst op zijn onderneming. De gestelde werkervaring was niet onderbouwd met objectief verifieerbare stukken, en financiële gegevens waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank volgde verweerder in het standpunt dat de aanvraag niet aan het documentatievereiste voldeed en daarom niet aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kon worden voorgelegd.
Verder werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat eiser in bezwaar niet de ontbrekende stukken had aangeleverd en het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat niet was gebleken dat in vergelijkbare zaken ook documenten ontbraken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning zelfstandige is ongegrond verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing van het ondernemingsplan.