ECLI:NL:RBDHA:2022:15592
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking besluit verblijfsvergunning asiel Dublinprocedure
Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Letland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Nadat het beroep was ingesteld, trok verweerder het bestreden besluit in vanwege het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn.
De rechtbank oordeelt dat door de intrekking van het besluit het procesbelang van eiser is komen te vervallen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die bevestigt dat intrekking op basis van tijdsverloop geen aanleiding geeft tot proceskostenvergoeding.
Eiser stelde dat er sprake was van meerdere gebreken in het besluit en dat verweerder traag had gehandeld, maar de rechtbank achtte dit onvoldoende om af te wijken van de lijn dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend bij intrekking wegens tijdsverloop. Ook het beroep op een andere zaak waarin wel proceskostenvergoeding werd toegekend, werd verworpen omdat de omstandigheden niet vergelijkbaar waren.
De rechtbank concludeert dat verweerder niet gehouden is tot vergoeding van proceskosten en wijst het verzoek af. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.