De eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had bepaald dat opnieuw moest worden beslist. De rechtbank constateert dat verweerder niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen en dat eiser verweerder correct in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond en legt een termijn van zestien weken op voor het nemen van een nieuw besluit, waarbij verweerder eerst binnen acht weken een gehoor moet afnemen en daarna binnen acht weken het besluit moet bekendmaken. Tevens wordt een bestuurlijke dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500 bij overschrijding van deze termijn.
De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke opschorting van dwangsommen voor asielaanvragen niet van toepassing is en dat verweerder dus een dwangsom verschuldigd is. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €379,50 wegens het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.M.T. Zoon en is uitgesproken op 20 december 2022. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.