Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
De Staat der Nederlanden,
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek van De Staat en het verweer van werknemer
4.De beoordeling
5.De beslissing
€ 747,--;
Rechtbank Den Haag
De Staat verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer die sinds maart 2022 arbeidsongeschikt is. De werknemer was sinds 1986 in dienst en vervulde sinds 2008 voornamelijk tijdelijke functies binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken en andere overheidsorganisaties.
De werknemer meldde zich ziek in maart 2022 en verrichtte daarna geen werkzaamheden meer. De bedrijfsarts stelde vast dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was door medische beperkingen en dat er sprake was van stress door het traject over zijn toekomst bij de werkgever. De kantonrechter concludeerde dat er een impasse bestond omdat de werknemer geen passende functie had om te re-integreren.
De Staat stelde dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos was geworden en dat ontbinding gerechtvaardigd was. De werknemer voerde verweer op grond van het ontslagverbod tijdens ziekte en onvoldoende naleving van herplaatsings- en re-integratieverplichtingen door de Staat.
De kantonrechter oordeelde dat de Staat onvoldoende actief had gezocht naar een passende functie binnen de rijksoverheid en dat de herplaatsingsverplichtingen niet waren nagekomen. Hierdoor kon de arbeidsovereenkomst niet worden ontbonden. Het verzoek van de Staat werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: Het ontbindingsverzoek van de Staat wordt afgewezen wegens onvoldoende naleving van herplaatsingsverplichtingen.