ECLI:NL:RBDHA:2022:1613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende onderzoek en onjuiste toetsing aan artikel 8 EVRM
Eiseres, met Chinese nationaliteit, had een verblijfsvergunning op grond van verblijf bij partner, die werd ingetrokken door verweerder omdat zij niet langer een duurzame en exclusieve relatie zou hebben met referent. Verweerder baseerde dit uitsluitend op de registratie in de Basisregistratie Personen (brp), zonder nader onderzoek naar de feitelijke situatie en zonder eiseres en referent te horen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte enkel de brp-gegevens heeft gebruikt als grondslag, terwijl eiseres bewijsstukken en getuigenverklaringen overwoog die verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd terzijde heeft gelegd. Ook is de hoorplicht geschonden omdat niet is vastgesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Daarnaast heeft verweerder de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro niet zorgvuldig uitgevoerd. Hij heeft onvoldoende rekening gehouden met het langdurige verblijf van eiseres, haar integratie, het belang van haar minderjarige dochter met verblijfsvergunning in Nederland, en de feitelijke situatie van het gezinsleven. De motivering is onvoldoende en de belangenafweging niet in evenwicht.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.