Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen moet verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die gaan over de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Verweerder moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit [14] .
De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.
De redelijke termijn in een zaak als deze vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Op grond van jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [18] geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, wordt de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie buiten beschouwing gelaten. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als voor zaken die vergelijkbaar zijn aan de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld, als het afwachten van die beslissing redelijk is. De termijn die buiten beschouwing wordt gelaten, begint niet eerder dan op het moment dat de aanhoudende rechter partijen schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het Hof van Justitie. De betreffende termijn eindigt op de dag van openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie. [19]