Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van10 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,
de Staat der Nederlanden, de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.
De bestreden uitspraak op bezwaar
Zitting
Beslissing
Overwegingen
15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat verweerder bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. Hoge Raad
18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. Hoge Raad 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).
28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).
zodat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 2.000. Van de overschrijding van de redelijke termijn dienen (afgerond) vijf maanden toegerekend te worden aan de bezwaarfase en de overige maanden aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 500 (1/4 deel van € 2.000) te vergoeden en de Minister een bedrag van
€ 1.500 (3/4 deel van € 2.000).
mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2022.