ECLI:NL:RBDHA:2022:2791

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2022
Publicatiedatum
29 maart 2022
Zaaknummer
NL22.4354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring na intrekking asielberoep

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit bezittende vreemdeling, werd op 24 januari 2022 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na intrekking van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 11 maart 2022, werd de oorspronkelijke maatregel opgeheven en een nieuwe maatregel opgelegd. De rechtbank toetste of de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing.

De rechtbank stelde vast dat de bewaring tot het moment van het eerdere onderzoek rechtmatig was. De kern van het geschil betrof de periode vanaf 11 maart 2022 tot 16 maart 2022, waarin verweerder naliet de grondslag van de bewaring tijdig te wijzigen. Jurisprudentie vereist dat een wijziging binnen twee kalenderdagen plaatsvindt, ongeacht weekdagen.

Omdat verweerder pas op 16 maart 2022 een nieuwe maatregel oplegde, handelde hij onvoldoende voortvarend. Dit leidde tot vier dagen onrechtmatige vrijheidsbeneming. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding van €400 toe en veroordeelde de Staat tevens tot betaling van de proceskosten van €759. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 400 schadevergoeding wegens vier dagen onrechtmatige bewaring en € 759 proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.4354

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 januari 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring opgeheven.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 23 maart 2022 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te bezitten.
2. Op 11 maart 2022 heeft eiser het beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening aangaande de afwijzing van zijn asielaanvraag ingetrokken. Op 16 maart 2022 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven en een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1961, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.
5. Eiser voert aan dat het op de weg van verweerder had gelegen om binnen twee kalenderdagen na 11 maart 2022 de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen zodat dit in dit geval niet tijdig is gebeurd.
6. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door een vreemdeling niet binnen twee dagen op grond van een andere wettelijke bepaling in bewaring te stellen en dat verweerder niet alleen op werkdagen gehouden is om voortvarend te handelen. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van 12 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1082) en 21 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:504).
7. Nu uit het dossier blijkt dat eiser op 11 maart 2022 de rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, moet het op dat moment voor verweerder duidelijk zijn geweest dat de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring niet langer op een juiste wettelijke grondslag berustte. Dit brengt met zich dat verweerder in de periode vanaf 13 maart 2022 tot en met 16 maart 2022 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet over te gaan tot grondslagwijziging. De omstandigheid dat het intrekken van de rechtsmiddelen door eiser blijkens de voortgangsrapportage pas op 15 maart 2022 via de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) aan de Dienst Terugkeer en Vertrek is meegedeeld, maakt dit niet anders aangezien verweerder hiervoor verantwoordelijk was.
8. Omdat de beroepsgrond slaagt, acht de rechtbank gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige vrijheidsbeneming van 4 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = € 400.
9. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 759 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400 (vierhonderd euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759 (zevenhonderdnegenenvijftig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.