Eiser, een Tunesische nationaliteit bezittende vreemdeling, werd op 25 maart 2022 strafrechtelijk heengezonden en vreemdelingrechtelijk opgehouden voor identiteitsonderzoek. Verweerder legde een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser stelde dat de ophouding ten onrechte op artikel 50, tweede lid, Vw was gebaseerd en dat artikel 59b Vw de juiste grondslag was vanwege zijn wens asiel aan te vragen.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was op grond van artikel 50, tweede lid, omdat de identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld en een foto van een paspoort geen identiteitsbewijs is. Ook was er voldoende bewijs dat de Dublinverordening van toepassing was, aangezien eiser eerder in Spanje asiel had aangevraagd en vingerafdrukken waren geregistreerd. De maatregel was daarom juist gebaseerd op artikel 59a Vw.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast, gezien zijn wens zelfstandig naar Spanje te vertrekken. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat er een significant risico op onttrekking was en dat een lichter middel niet volstond. Ook was de voortvarendheid van verweerder voldoende, met een vertrekgesprek op de zesde dag na oplegging van de maatregel.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.