ECLI:NL:RBDHA:2022:3689

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
AWB 21/7645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning op grond van ontbreken beschermenswaardig familie- of gezinsleven

Eisers, Syrische staatsburgers, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hun aanvraag voor een mvv verblijfsvergunning op grond van gezinsleven af te wijzen. De aanvraag betrof verblijf bij referent, een familielid met wie zij een gezinsband wensen aan te tonen.

De rechtbank oordeelt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent is aangetoond, maar dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder stelde dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is omdat de gezinsband is verbroken en er geen meer dan normale afhankelijkheid bestaat.

Eisers voerden aan dat de gezinsband niet is verbroken en dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid, mede vanwege hun eeneiige tweelingrelatie en de psychische gesteldheid van referent. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder de relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft gemotiveerd en dat eisers deze afhankelijkheid niet voldoende hebben aangetoond.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven heeft aangenomen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv verblijfsvergunning is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/7645

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,geboren op [geboortedatum 1]

v-nummer: [nummer1]
[naam2], eiser,
geboren op [geboortedatum 2]
v-nummer: [nummer2]
tezamen: eisers.
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 december 2021 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2022 ter zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden Als tolk is verschenen G.M.A. Al-Harbia. Daarnaast is [naam3] (referent) voor eisers verschenen.

Overwegingen

1. Eisers bezitten de Syrische nationaliteit. Eisers wensen verblijf in Nederland bij referent, die is geboren op [naam3] en die eveneens de Syrische nationaliteit heeft. Eiseres is de moeder van referent. Eiser is de gestelde tweelingbroer van referent. Referent heeft voor eisers een aanvraag ingediend om afgifte van een mvv [1] voor toegang en verblijf op grond van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] .
2. Bij besluit van 28 april 2021 (het primaire besluit) is deze aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet was komen vast te staan en de identiteit van eiser niet was aangetoond.
3. Bij besluit van 7 december 2021 juni 2021 (het bestreden besluit) is dit niet langer tegengeworpen. Referent heeft een origineel familieboekje overgelegd waarmee hij de familierechtelijke relatie met eiseres heeft aangetoond. Ook heeft verweerder bewijsnood aangenomen omtrent de identiteit van eiser. Niettemin is het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, omdat volgens verweerder geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens verweerder is het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing omdat de gezinsband tussen referent en eiseres is verbroken. Evenmin is aangetoond dat tussen eisers en referent sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid.
4. Eisers kunnen zich hier niet mee verenigen. Zij voeren primair aan dat verweerder niet aan eiseres tegen heeft kunnen werpen dat de feitelijke gezinsband tussen haar en referent is verbroken. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2019 [3] volgt dat verweerder zelfstandig wonen zonder meer, niet als een contra-indicatie dient te beschouwen indien dit noodgedwongen is. Eiser en referent moesten Syrië in 2015 op 16-jarige leeftijd ontvluchten in verband met de dienstplicht. Deze keuze hebben zij dan ook niet vrijwillig gemaakt. Daarbij heeft verweerder niet kunnen tegenwerpen dat referent en zijn broer hebben kunnen voorzien in hun levensonderhoud. Verder hebben eisers aangevoerd dat sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsband tussen eiser en referent. Zij zijn een eeneiige tweeling, die altijd samen hebben gewoond en alles samen deden. Referent verkeert in een slechte psychische conditie door het gemis van zijn broer. Anders dan verweerder als uitgangspunt neemt, volgt uit de jurisprudentie van het EHRM [4] niet dat een dergelijke afhankelijkheidsrelatie slechts kan worden aangenomen wanneer door de scheiding één van beiden niet in staat is om zelfstandig te functioneren.
De rechtbank overweegt als volgt.
5. De aanvraag om afgifte van een mvv wordt beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die gelden voor de verblijfsvergunning met het oog waarop de mvv is aangevraagd.
Om de in dit geval beoogde verblijfsvergunning te kunnen verlenen moet sprake zijn van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. In paragraaf B7/3.8.1 van de Vc [5] is neergelegd dat verweerder familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen meerderjarigen aanneemt als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De uitzondering hierop vormt de groep jongvolwassenen tot ongeveer 25 jaar, die met hun ouders in gezinsverband samenleeft, niet in hun eigen levensonderhoud voorzien en die geen eigen gezin hebben gesticht. Om te beoordelen of de jongvolwassene feitelijk behoort tot het gezin is het moment van binnenkomst in Nederland leidend. Contra-indicaties voor het bestaan van een feitelijke gezinsband zijn:
-het kind woont zelfstandig;
-het kind voorziet in eigen onderhoud;
-het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan;
-het kind is belast met de zorg voor een (buitenechtelijk) kind.
6. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de door eisers genoemde uitspraak van 23 augustus 2019 betrekt verweerder bij de beoordeling van de genoemde contra-indicaties op grond waarvan hij aanneemt dat een jongvolwassen meerderjarig kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van zijn of haar ouder(s), in hoeverre het kind hiermee een stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten. Als dat het geval is, geldt doorgaans dat het kind hiermee niet langer tot het gezin van zijn ouder(s) behoort. [6]
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers zich niet op het jongvolwassenebeleid kunnen beroepen. Verweerder heeft aan eisers tegen kunnen werpen dat referent na zijn vertrek uit Syrië (met eiser) ruim vier jaar zelfstandig in Turkije heeft verbleven en daar in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hij huurde daar een eigen woning en had werk in een kartonfabriek. Dat eiser naar hij stelt oorspronkelijk uit Syrië heeft moeten vluchten, betekent niet dat in dit geval moet worden aangenomen dat referent zich ook noodgedwongen zonder zijn moeder staande heeft moeten houden in Turkije. Verweerder heeft in dit verband bij de beoordeling kunnen betrekken dat referent en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het niet mogelijk is geweest voor eiseres om zich bij hen in Turkije te voegen.
8. Eisers stellen terecht dat de vraag naar een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid van feitelijke aard is en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Onder meer samenwoning, financiële of materiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen, en de banden met het land van herkomst kunnen van belang zijn.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de relevante feiten en omstandigheden voldoende gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat het zijn van een eeneiige tweeling niet zonder meer maakt dat sprake is van een gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft de gestelde hechte persoonlijke banden met zijn tweelingbroer niet verder aangetoond. Verweerder heeft deze niet hoeven aannemen enkel op grond van de gestelde (bijna) dagelijkse communicatie via Whatsapp. De gestelde psychische gesteldheid van referent is niet verder geconcretiseerd en niet met enig bewijs onderbouwd.
10. Nu er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referent, heeft verweerder terecht geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Griffier Rechter
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Europees Hof voor de rechten van de mens.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4122.