In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld over de vergunningplicht voor het omzetten van zelfstandige woningen naar onzelfstandige woonruimte voor vier of meer personen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had een vergunning verleend, maar deze later ingetrokken op basis van een gewijzigd beleid dat categorale weigering van omzettingsvergunningen voor de hele stad voorschrijft.
Eiser stelde dat de vergunningplicht in strijd is met de Huisvestingswet omdat deze niet beperkt is tot het goedkope segment en dat het gewijzigde beleid onvoldoende is onderbouwd, geen afweging maakt en inbreuk maakt op eigendomsrechten. Verweerder voerde aan dat het beleid zorgvuldig is onderbouwd met onderzoeksrapporten en dat de leefbaarheidscriteria rechtvaardigen dat vergunningen worden geweigerd.
De rechtbank oordeelde dat de vergunningplicht voor het goedkope en middensegment voldoende is onderbouwd en noodzakelijk is, maar dat voor het hogere segment geen onderbouwing is gegeven. De categorale weigering in het gewijzigde beleid is onvoldoende gemotiveerd en gaat te ver. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en moet verweerder een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De rechtbank benadrukte dat bij hernieuwde beoordeling een concrete afweging moet plaatsvinden en dat het gewijzigde beleid slechts met terughoudendheid en op basis van jurisprudentie mag worden toegepast.