Uitspraak
Datum uitspraak: 9 september 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Appellanten zijn eigenaren van meerdere woningen in Utrecht die volgens het college zonder vergunning zijn omgezet of gehouden als onzelfstandige woonruimte, in strijd met de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening 2015. Het college legde boetes en lasten onder dwangsom op, waarvan een deel is ingevorderd.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat de huisvestingsverordening onvoldoende onderbouwd is waar het gaat om de definitie van zelfstandige woonruimte, met name het criterium van een van gemeentewege toegekend huisnummer. Dit onderdeel wordt buiten toepassing gelaten. Verder is onvoldoende bewijs geleverd dat sommige panden als onzelfstandige woonruimte worden gebruikt, met name waar sprake is van een duurzame gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigt de uitspraken van de rechtbank en herroept de meeste boetebesluiten en dwangsombesluiten, met uitzondering van één boete die wordt gematigd. Ook worden dwangsomverhogingen teruggedraaid en invorderingsbesluiten vervallen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraken van de rechtbank en herroept de meeste handhavingsbesluiten, met uitzondering van één gematigde boete, en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten.