ECLI:NL:RBDHA:2022:5015
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd wegens verplaatsing hoofdverblijf
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, werd geconfronteerd met intrekking van zijn vergunning omdat hij zijn hoofdverblijf langer dan zes maanden buiten Nederland had gevestigd. De rechtbank oordeelt dat eiser vanaf 31 oktober 2011 gedurende langere periodes niet in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven en geen bewijs heeft geleverd van verblijf, inkomsten of woonruimte in Nederland.
Eiser voerde aan dat hij rechten had op grond van Besluit 1/80 en dat de intrekking in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, alsmede dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank stelt vast dat verweerder onzorgvuldig was in het beantwoorden van alle zienswijzen, maar dat dit niet leidde tot een onrechtmatige intrekking. De standstill-bepaling uit Besluit 1/80 is niet van toepassing omdat eiser geen concreet voornemen tot arbeid had aangetoond.
De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro werd zorgvuldig gemaakt, waarbij de sterke banden van eiser met Turkije en het ontbreken van sterke banden met Nederland werden meegewogen. De hoorplicht is nageleefd en eiser heeft voldoende gelegenheid gehad zijn standpunten naar voren te brengen.
De rechtbank concludeert dat de intrekking van de verblijfsvergunning terecht is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.