ECLI:NL:RBDHA:2022:5349
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning asiel wegens ernstig misdrijf en openbare orde
Eiser, met de Iraanse nationaliteit, kreeg in 2006 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en in 2007 voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning in augustus 2021 met terugwerkende kracht in vanwege meervoudige onherroepelijke veroordelingen voor ernstige misdrijven, waarbij het Unierechtelijke openbare ordecriterium werd toegepast. Eiser kreeg uitstel van vertrek tot februari 2022.
Eiser bestreed het besluit onder meer vanwege vermeende onzorgvuldigheid, onjuiste vaststelling verblijfsduur, en betwisting van het openbare ordecriterium. De rechtbank oordeelde dat verweerder zorgvuldig handelde, dat het criterium terecht werd toegepast gezien het strafvonnis en recidive, en dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro juist was gemaakt. De rechtbank verwierp ook het bezwaar tegen de beëindiging van de vluchtelingenstatus en de argumenten over het ontbreken van een terugkeerbesluit.
De rechtbank concludeerde dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving en dat de belangen van openbare orde zwaarder wegen dan die van eiser. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.