ECLI:NL:RBDHA:2022:5413
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-hoofdverblijf op uitkeringsadres
Eiser ontving vanaf november 2017 een bijstandsuitkering en stond ingeschreven op een adres in Delft. Verweerder trok de bijstand per 12 maart 2019 in en vorderde €3.738,29 terug, omdat uit onderzoek bleek dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Dit onderzoek bestond uit administratief onderzoek, waarnemingen, burenverklaringen, een onaangekondigd huisbezoek en een gesprek met eiser.
Eiser stelde dat hij tijdelijk in Duitsland verbleef voor medische behandeling en voorbereidingen trof voor verhuizing naar Koerdistan, en dat het lage waterverbruik niet betekende dat hij niet woonde op het adres. De rechtbank oordeelde echter dat het extreem lage waterverbruik (1 m³ over ruim 4 maanden) een sterke aanwijzing was dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De verklaringen van buren waren tegenstrijdig en onvoldoende om dit te weerleggen.
Verder stelde eiser dat hij zijn inlichtingenverplichting had nageleefd door de werkconsulent te informeren, maar de rechtbank stelde dat meldingen aan de werkconsulent niet voldoen aan de verplichting om wijzigingen aan het college te melden. De rechtbank concludeerde dat eiser terecht werd gekort en teruggevorderd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.