ECLI:NL:RVS:2020:2795
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vreemdelingenbewaring in DC Rotterdam volgens artikel 16 Terugkeerrichtlijn
De vreemdeling werd op 10 augustus 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld in het Detentiecentrum Rotterdam (DC Rotterdam). De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kernvraag was of het DC Rotterdam kwalificeert als een speciale inrichting voor bewaring in de zin van artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Terugkeerrichtlijn. De vreemdeling betoogde dat dit niet het geval is, omdat het DC Rotterdam ook afdelingen heeft voor kortdurende gevangenisstraffen en voorlopige hechtenis, en het regime penitentiair van aard is.
De Afdeling oordeelde dat het DC Rotterdam, hoewel één gebouw, strikt gescheiden afdelingen heeft voor vreemdelingenbewaring en strafrechtelijke detentie, met gescheiden looproutes en eigen luchtplaatsen. Ongeveer 80% van de cellen zijn bestemd voor vreemdelingenbewaring. Het penitentiaire karakter van het regime sluit niet uit dat het een speciale inrichting is, mits het beginsel van minimale beperkingen wordt gerespecteerd.
Klachten over disciplinaire straffen en coronamaatregelen betreffen de feitelijke toepassing van het regime en zijn niet geschikt voor deze procedure. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat het DC Rotterdam een speciale inrichting is en verklaart het hoger beroep ongegrond.