Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1995, van Poolse nationaliteit, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
wiltekenen. De rechtbank heeft verweerder gevraagd waarom hij er, gelet op het niet aanspreekbaar zijn van eiser, zijn beschreven medische problematiek en de beschrijving door de gemachtigde van verklaringen die eiser aflegt, van uitgaat dat het tot 7 september 2021 feitelijk niet tekenen voortkomt uit onwil in plaats van onvermogen aan de zijde van eiser. Verweerder heeft daarop aangegeven dat waar in de M120 is vermeld “niet willen tekenen” dit niet letterlijk moet worden genomen omdat lijkt dat sprake is van onvermogen. De rechtbank overweegt dat dan temeer geldt dat had moeten worden bezien of kon worden volstaan met een lichter middel. In het verslag van het vertrekgesprek dat heeft plaatsgevonden op 6 september 2021 is opgenomen dat de behandelaar van eiser heeft aangegeven dat het toestandsbeeld van eiser niet stabiel is en een gesprek met eiser niet mogelijk is. Vervolgens is vermeld dat door eiser in het vertrekgesprek geen omstandigheden zijn aangevoerd naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Op verweerder rust de verplichting om -gedurende het gehele bewaringstraject- te bezien of kan worden volstaan met een lichter middel. Nu eiser niet in staat is gebleken om zelf omstandigheden aan te dragen die bij deze beoordeling kunnen worden betrokken, had verweerder moeten nagaan of een indicatie bestaat op welke termijn eiser tot het voeren van een gesprek in staat zou zijn en indien de behandelaars hier geen uitspraak over kunnen doen dit bij de beoordeling of de maatregel kan voortduren moeten betrekken. Verweerder heeft eiser in bewaring gesteld om de feitelijke uitzetting naar Polen te kunnen effectueren. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat uitzetting niet kan plaatsvinden zonder medisch advies in te winnen over de reisvoorwaarden. Dit advies kan van het BMA enkel worden verkregen indien eiser toestemming tot inzage in zijn medisch dossier geeft. Nu er gedurende geruime tijd geen enkele indicatie was wanneer eiser deze toestemming zou geven of zelfs maar in staat zou zijn tot het voeren van een gesprek met de regievoerder had verweerder in dit specifieke geval dienen te motiveren waarom geen aanleiding bestond om het gedwongen vreemdelingrechtelijk kader waarin de opname in Veldzicht plaatsvindt te handhaven. Verweerder had bijvoorbeeld door dit voor te leggen aan Veldzicht tenminste kunnen onderzoeken of eiser ook zijn behandeling in Veldzicht zou kunnen voortzetten vanuit een vrijwillig kader en gedurende welke voorzetting verweerder de uitzetting had kunnen voorbereiden. De M120 geeft geen blijk van overwegingen op dit punt.
5. De klacht over de tweede quarantaineperiode gaat niet over de feitelijke toepassing van het regime, waarvoor een andere rechtsgang openstaat (uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2795), maar over de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel. De Afdeling kan zich daarom over deze vraag uitlaten.
(…)
7. Voor zover de vreemdeling onder verwijzing naar een aantal door hem overgelegde rapporten heeft geklaagd over het gebruik van disciplinaire straffen zoals het plaatsen in afzondering of in een isoleercel in het DC Rotterdam, gaat deze klacht over de feitelijke toepassing van het regime binnen het DC Rotterdam. Ook de klacht dat hij op grond van maatregelen, waarmee wordt geprobeerd het verspreiden van het coronavirus binnen het DC Rotterdam te voorkomen, langdurig in zijn cel moet verblijven of apart wordt geplaatst, gaat over de feitelijke toepassing van het regime.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2010 ECLI:NL:RVS:2010:BO8075, heeft de rechtbank over deze klachten terecht overwogen dat daarvoor een andere rechtsgang openstaat.
nietis bepaald dat de klachtprocedure de rechter in vreemdelingenzaken uitsluit om van klachten kennis te nemen en daarover een oordeel te geven indien wordt verzocht om invrijheidstelling. Hoofdstuk XI van de Beginselenwet regelt de beklagprocedure bij de beklagcommissie en hoofdstuk XII voorziet in de procedure om beroep in te stellen tegen de uitspraak van de beklagcommissie. De artikelen 60 en 69 van de Penitentiaire Beginselenwet bepalen -kort gezegd- waarover bij wie kan worden geklaagd en binnen welke termijn dit dient te geschieden. Ook in het Handboek Rechtspositie Gedetineerden, dat is samengesteld door de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie, is geen enkele bepaling opgenomen dat de klachtprocedure beoogt een rechtsgang bij de bewaringsrechter uit te sluiten. Voor zover dit wel zou zijn bepaald overweegt de rechtbank dat dit onverlet laat dat een dergelijke bepaling in overeenstemming dient te zijn met het Unierecht indien detentie plaatsvindt op grond van de Terugkeerrichtlijn, de Opvangrichtlijn, de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet voor zover die is gebaseerd op deze richtlijnen en verordening.