ECLI:NL:RBDHA:2022:6975
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielverblijfsvergunning afgewezen
Opposant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijke beroepstermijn van vier weken was ingediend en dit niet aan de opposant kon worden toegerekend.
In het verzet betoogde opposant dat de beroepstermijn onrechtmatig kort is en dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn vrees voor schending van het refoulementverbod bij terugkeer naar Gambia. De rechtbank oordeelde dat de beroepstermijn niet in strijd is met Europees recht en dat de situatie van opposant niet uitzonderlijk genoeg is om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank verwees naar het Bahaddar-arrest en stelde dat het uitzetten van opposant niet onmiskenbaar leidt tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank handhaafde het oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat de vrees van opposant niet aannemelijk is gemaakt.
Het verzet is daarom ongegrond verklaard en het eerdere vonnis blijft in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het eerdere vonnis blijft in stand.