ECLI:NL:RBDHA:2022:9430
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag ongegrond verklaard
Opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. De rechtbank had dit beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was, aangezien de beslistermijn door de coronapandemie en daaropvolgende verlenging nog niet was verstreken.
Opposant stelde dat de rechtbank ten onrechte zonder zitting had geoordeeld en dat de ingebrekestelling niet prematuur was, mede omdat de staatssecretaris had erkend dat de beslistermijn was verstreken. Ook voerde hij aan dat de rechtbank het beroep te lang had laten liggen, wat in strijd zou zijn met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht zonder zitting was behandeld omdat het duidelijk was dat de ingebrekestelling prematuur was. De overmachtssituatie door de coronapandemie had de beslistermijn automatisch opgeschort en de verlenging door de staatssecretaris was rechtmatig. De rechtbank baseerde zich daarbij op uitspraken van de hoogste bestuursrechter.
De argumenten van opposant in verzet brachten geen twijfel over de uitkomst van de zaak en rechtvaardigden geen nadere behandeling. De rechtbank concludeerde dat opposant een eerlijk proces en effectief rechtsmiddel had gekregen, ook al was de behandeling vereenvoudigd. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak blijft in stand.