ECLI:NL:RBDHA:2023:10647
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan weken-eis en geen sprake van onbetaald verlof
Eiser werkte bij een ex-werkgever tot 3 juli 2021, waarna het dienstverband per direct werd beëindigd. Eiser vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd afgewezen omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht vanaf 4 juli 2021. Na een schikking met de ex-werkgever werd het dienstverband alsnog beëindigd per 1 december 2021 met wederzijds goedvinden, waarna eiser stelde dat hij recht had op WW vanaf die datum.
Verweerder oordeelde echter dat eiser niet voldeed aan de weken-eis van de WW omdat hij in de 36 weken voorafgaand aan 1 december 2021 slechts 14 weken werkte en loon ontving. Eiser stelde dat hij onbetaald verlof had genoten tussen 5 juli en 1 december 2021, waardoor de referteperiode verlengd zou moeten worden volgens artikel 17a WW.
De rechtbank stelde dat het begrip onbetaald verlof restrictief moet worden uitgelegd en dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de werkgever onbetaald verlof heeft verleend. De periode van niet-werken en geen loon ontvangen was het gevolg van het ontslag op staande voet, niet van overeengekomen onbetaald verlof. Daarom voldeed eiser niet aan de weken-eis en had hij geen recht op WW-uitkering vanaf 1 december 2021.
De rechtbank verwierp ook het verwijt van eiser dat verweerder willekeurig handelde door de aanvraag op verschillende gronden te weigeren. Verweerder handelde binnen zijn onderzoeksplicht en maakte terecht de afwegingen op basis van de beschikbare gegevens. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering vanaf 1 december 2021 wegens niet voldoen aan de weken-eis en het ontbreken van overeengekomen onbetaald verlof.