ECLI:NL:CRVB:2014:142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis tijdens voorlopige hechtenis
Appellant was van 20 juni 2009 tot 22 juni 2010 in voorlopige hechtenis en heeft gedurende die periode geen arbeid verricht. Zijn werkgever stopte de salarisbetaling vanaf 4 september 2009 en de arbeidsovereenkomst eindigde op 1 september 2010. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat hij niet voldeed aan de wekeneis van minimaal 26 gewerkte weken in de referteperiode.
De rechtbank oordeelde dat de periode van voorlopige hechtenis niet als onbetaald verlof kan worden gezien en dat de weken waarin appellant geen arbeid verrichtte buiten beschouwing blijven. Ook werd vastgesteld dat de arbeid die appellant mogelijk tijdens detentie verrichtte niet kan worden aangemerkt als arbeid in een arbeidsverhouding volgens de WW.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de voorlopige hechtenis als onbetaald verlof moest worden beschouwd en dat hij recht had op voorverlenging van de referteperiode. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit en bevestigde dat appellant feitelijk niet in staat was arbeid te verrichten tijdens detentie, waardoor de wekeneis niet werd gehaald. De aangevallen uitspraak werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet voldoen aan de wekeneis tijdens voorlopige hechtenis.