Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Naast een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid moet een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren brengen waaruit blijkt dat niet alleen het bestuursorgaan maar ook de rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement. Dat kan een vreemdeling in de eerste plaats doen door een voor hem negatieve uitspraak van de hoogste rechter in de verantwoordelijke lidstaat over te leggen waaruit volgt dat die rechter van oordeel is dat hij kan terugkeren naar het land van herkomst. Een vreemdeling hoeft daarbij niet te hebben doorgeprocedeerd tot het EHRM. In de tweede plaats kan een vreemdeling het ontbreken van bescherming door de rechter in de verantwoordelijke lidstaat aannemelijk maken door algemene informatie over te leggen waaruit volgt dat de rechterlijke procedure in de verantwoordelijke lidstaat niet effectief is. Wanneer een vreemdeling aan die bewijslast heeft voldaan is het aan de staatssecretaris om alle twijfel over een mogelijk risico bij overdracht weg te nemen.
non-refoulement.
In de uitspraak van 4 januari 2021 heeft de rechtbank overwogen dat verweerder had moeten onderzoeken of overdracht aan Duitsland tot indirect refoulement zal leiden en dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom, gelet op het door de vreemdeling overgelegde afwijzende asielbesluit van Duitsland, overdracht aan Duitsland niet tot indirect refoulement zal leiden. Deze uitspraak dateert echter van vóór de hierboven genoemde uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022, waarin uiteengezet is wat het toetsingskader is in Dublinzaken waarbij een beroep wordt gedaan op indirect refoulement. Met inachtneming van dit toetsingskader – dat in de uitspraak van 4 januari 2021 niet is toegepast – is in het onderhavige geval geen sprake van onvoldoende onderzoek of ondeugdelijke motivering door verweerder. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen en benadrukt daarbij nogmaals dat eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat niet alleen het bestuursorgaan maar ook de hoogste rechter in Duitsland geen bescherming biedt tegen refoulement.
De uitspraak van 10 oktober 2022 heeft voorts betrekking op een Dublinzaak die niet vergelijkbaar is met de zaak van eiseres. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat zonder nader onderzoek naar de strekking van het besluit tot intrekking van eisers vluchtelingenstatus, waarin kennelijk is opgenomen dat er geen sprake is van een uitzettingsverbod, niet duidelijk is of de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 [7] van toepassing is en dus met welk toetsingskader het gestelde risico op indirect refoulement moet worden beoordeeld. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake, aangezien in de zaak van eiseres wel (zonder nader onderzoek) voldoende duidelijk is dat het toetsingskader van de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022 van toepassing is.
Beslissing
H.J. Renders, griffier.