ECLI:NL:RBDHA:2023:11812
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning gezinsleden wegens onvoldoende belangenafweging
Eisers, kinderen van een moeder aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is toegepast, vroegen een verblijfsvergunning aan voor verblijf als gezinsleden bij hun moeder in Nederland. De staatssecretaris wees deze aanvraag af en handhaafde dit in bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het recht op privéleven van eisers op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat eisers al ruim acht jaar in Nederland verblijven, een sterke band met Nederland hebben opgebouwd en niet met hun moeder kunnen terugkeren naar Nigeria vanwege het risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro. De staatssecretaris had niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en had onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van de kinderen.
Daarnaast vond de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom terugkeer naar een ander land dan Nigeria mogelijk zou zijn en waarom daar een sociaal vangnet aanwezig zou zijn. Ook was onvoldoende rekening gehouden met de langdurige opvangsituatie van eisers in Nederland. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de staatssecretaris acht weken om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.