ECLI:NL:RBDHA:2023:13408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
NL23.23841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en weigering medewerking bij uitzetting naar Marokko

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verbleef sinds 3 juli 2023 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste of de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 17 juli 2023 nog rechtmatig was.

Eiser voerde aan dat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerkten aan het verstrekken van laissez-passers en dat er daardoor geen redelijk zicht op uitzetting bestond. De rechtbank volgde dit niet en verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat er wel zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn. Bovendien bleek uit het voortgangsrapport en het vertrekgesprek dat eiser weigerde zijn vingerafdrukken af te staan, waardoor het uitzettingstraject werd vertraagd.

De rechtbank oordeelde dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23841

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 juli 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [1]

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1991.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11035, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek, 17 juli 2023, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp’s [2] inwilligen. Verweerder rappelleert regelmatig aan de Marokkaanse autoriteiten, maar daar wordt niet op gereageerd. Eiser verblijft inmiddels bijna twee maanden in bewaring, zonder dat er vooruitgang is in de uitzetting. Dat betekent dat een redelijk zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt.
5. De rechtbank volgt eiser niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 16 januari 2023 [3] geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko bestaat. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat eiser inmiddels twee maanden in bewaring verblijft en de Marokkaanse autoriteiten tot nu toe niet hebben gereageerd op de aanvraag om afgifte van een lp, betekent als zodanig niet dat er geen concreet zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat. Daarbij blijkt uit het voortgangsrapport en het verslag van het vertrekgesprek van 15 augustus 2023 dat eiser weigert zijn vingerafdrukken af te staan om de aanvraag te kunnen voltooien en ook verdere medewerking weigert. De langere duur van het lp-traject dient, in zoverre, dan ook voor rekening van eiser te blijven.
6. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [4]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
2.Laissez-passers.
4.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.