Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2023 op het verzet van
[opposant], te [woonplaats], opposant
Procesverloop
Overwegingen
nade datum van ontvangst.
Rechtbank Den Haag
Opposant stelde beroep in tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vanwege het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, omdat zij oordeelde dat het college de beslistermijn rechtsgeldig had opgeschort en tijdig had beslist.
In het verzet betoogde opposant dat de rechtbank ten onrechte buiten zitting had geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, omdat twijfel bestond over de juiste aanvang van de beslistermijn. Opposant stelde dat de beslistermijn op de datum van ontvangst van de aanvraag zou moeten beginnen, terwijl vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat deze pas de dag na ontvangst begint.
De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn inderdaad op de dag na ontvangst begint en dat de verlenging van de beslistermijn met zes weken door het college op 7 december 2020 was toegezegd. De rechtbank concludeerde dat het college uiterlijk op 18 januari 2021 had moeten beslissen, wat niet was gebeurd. Hierdoor was de vergunning van rechtswege verleend en was het eerdere oordeel van niet-ontvankelijkheid onjuist.
De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de buiten zitting uitspraak en hervatte het onderzoek. Tevens veroordeelde zij het college tot betaling van de proceskosten van opposant.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt vernietigd wegens onjuiste berekening van de beslistermijn.