ECLI:NL:RBDHA:2023:1521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2023
Publicatiedatum
13 februari 2023
Zaaknummer
22-2362V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9 WaboArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens onjuiste berekening beslistermijn omgevingsvergunning

Opposant stelde beroep in tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vanwege het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, omdat zij oordeelde dat het college de beslistermijn rechtsgeldig had opgeschort en tijdig had beslist.

In het verzet betoogde opposant dat de rechtbank ten onrechte buiten zitting had geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, omdat twijfel bestond over de juiste aanvang van de beslistermijn. Opposant stelde dat de beslistermijn op de datum van ontvangst van de aanvraag zou moeten beginnen, terwijl vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat deze pas de dag na ontvangst begint.

De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn inderdaad op de dag na ontvangst begint en dat de verlenging van de beslistermijn met zes weken door het college op 7 december 2020 was toegezegd. De rechtbank concludeerde dat het college uiterlijk op 18 januari 2021 had moeten beslissen, wat niet was gebeurd. Hierdoor was de vergunning van rechtswege verleend en was het eerdere oordeel van niet-ontvankelijkheid onjuist.

De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de buiten zitting uitspraak en hervatte het onderzoek. Tevens veroordeelde zij het college tot betaling van de proceskosten van opposant.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt vernietigd wegens onjuiste berekening van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2362 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2023 op het verzet van

[opposant], te [woonplaats], opposant

(gemachtigden: mr. A.H. Gaastra en mr. A.W.M. Oremans).

Procesverloop

Opposant heeft bij brief van 22 maart 2022 beroep ingesteld tegen het, naar hij stelt, door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (het college) niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning.
Bij uitspraak van 5 oktober 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 30 januari 2023 op zitting behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het college naar het oordeel van de rechtbank de beslistermijn rechtsgeldig heeft opgeschort en vóór het verstrijken van de beslistermijn op de aanvraag heeft beslist. Er is dus geen van rechtswege verleende omgevingsvergunning ontstaan die niet tijdig bekend is gemaakt.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zitting uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3.1
Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat hierin niet gesteld wordt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit bevreemdt opposant, omdat alleen als een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, de zaak vereenvoudigd mag worden afgedaan.
3.2
In rechtsoverweging 1 van de buiten-zitting uitspraak is verwezen naar artikel 8:54 van Pro de Awb, waarin is vermeld dat de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, het onderzoek kan sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, onder meer omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat er sprake is van een vereenvoudigde afdoening. Deze grond slaagt daarom niet.
4.1
Daarnaast voert opposant aan dat niet is voldaan aan het kennelijkheidsvereiste, omdat getwijfeld kan worden aan de juistheid van de uitleg van de rechtbank over artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zodat een onderzoek ter zitting op zijn plaats zou zijn geweest. Hij stelt dat het college niet op 8 december 2020, maar reeds uiterlijk op 7 december 2020 had moeten beslissen op zijn aanvraag van 12 oktober 2020, omdat dit artikellid niet zo moet worden gelezen dat de beslistermijn aanvangt
nade datum van ontvangst.
4.2
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 maart 2019 [1] , 24 februari 2021 [2] , 18 augustus 2021 [3] en 14 september 2022 [4] , gaat de beslistermijn van acht weken in de dag na ontvangst van de aanvraag. De beslistermijn begint niet te lopen op de datum van ontvangst van de aanvraag, maar de dag na ontvangst van de aanvraag. Dit volgt uit de tekst van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo, omdat daarin is vermeld "na de datum van ontvangst", aldus de Afdeling.
4.3
Uit deze jurisprudentie van de Afdeling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de beslistermijn van acht weken als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo dus niet begint te lopen op de datum van ontvangst van de aanvraag, zoals opposant stelt, maar de dag na ontvangst van de aanvraag. In dit geval op 13 oktober 2020, omdat de aanvraag op 12 oktober 2020 was ingediend.
5.1
Verder meent opposant dat de rechtbank had moeten onderzoeken of de beslistermijn, gelet op de ongedateerde brief van het college waarbij de beslistermijn is verlengd met zes weken, tijdig was verlengd. Indien dit niet het geval is, dan is de vergunning van rechtswege verleend, aldus opposant.
5.2
De beslistermijn op de aanvraag van 12 oktober 2020 – te weten 56 dagen te rekenen vanaf de dag na ontvangst van de aanvraag – liep tot en met 7 december 2020.
5.3
Uit de stukken blijkt dat de brief waarbij het college de beslistermijn op de aanvraag met 6 weken heeft verlengd tot en met 19 januari 2021 dateert van 7 december 2020. Vanaf dat moment is naar het zich laat aanzien een nieuwe termijn van zes weken gaan lopen. Gelet op hierop diende verweerder op uiterlijk 18 januari 2021 op de aanvraag te hebben beslist. De rechtbank heeft in de buiten-zitting uitspraak dan ook ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.
6. De rechtbank veroordeelt het college in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt het college in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van drs.
A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.