Eiser, een Algerijnse asielzoeker, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank bevestigt dat de overdrachtstermijn door het verzoek om een voorlopige voorziening is opgeschort, waardoor de feitelijke overdracht nog niet heeft plaatsgevonden.
De rechtbank overweegt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling. Ook acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de geboortedatum van eiser onjuist is geregistreerd in Frankrijk.
Hoewel de rechtbank een zorgvuldigheidsgebrek constateert omdat verweerder eiser niet tijdig informeerde over het opschorten van de overdrachtstermijn, wordt dit gebrek gepasseerd omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.