Eiser diende op 21 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden beslist. Eiser stelde verweerder op 16 januari 2023 in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond. Omdat verweerder nog een voornemen moet nemen en eiser daarop nog zijn zienswijze mag geven, legde de rechtbank een beslistermijn van acht weken op. Tevens werd verweerder verplicht een dwangsom van €100 per dag te betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500.
De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke opschorting van bestuurlijke dwangsommen voor asielaanvragen niet in strijd is met het Unierecht, maar dat de bestuursrechter toch een dwangsom kan opleggen op grond van de Awb. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €418,50 wegens het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier O.G. Hulsman op 13 juli 2023. Eiser kan binnen vier weken in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.