ECLI:NL:RBDHA:2023:16747

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
NL23.33973
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 Vw
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens ontbreken rechtsgrondslag en toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. De maatregel bleek niet rechtsgeldig gemotiveerd, omdat verweerder niet had aangegeven op welke specifieke wettelijke grondslag de maatregel was gebaseerd, ondanks verwijzingen naar meerdere opties binnen artikel 59b.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een duidelijke en aangekruiste rechtsgrondslag de maatregel onrechtmatig maakt vanaf het moment van oplegging. Daarom werd de opheffing van de maatregel met onmiddellijke ingang bevolen. Tevens werd een schadevergoeding van €1100 toegekend voor de 11 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, gebaseerd op een dagvergoeding van €100.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €837 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter J.F.I. Sinack en griffier N.F. Kreeftmeijer en is openbaar gemaakt op 2 november 2023. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding van €1100 wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33973

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 31 augustus 2023 heeft eiser de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op diezelfde dag een verweerschrift ingediend. Op 2 november augustus 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat uit de motivering van de maatregel niet blijkt op welke rechtsgrondslag deze is gebaseerd. De motivering is primair opgebouwd uit een reeks tekstpassages waarvan de toepasselijke passage(s) moeten worden aangekruist. De maatregel bevat weliswaar tekstpassages die verwijzen naar artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, onder b [1] , onder c en onder d [2] van de Vw, maar verweerder heeft geen van deze verschillende wettelijke grondslagen aangekruist. Ook de verdere motivering van het besluit vermeldt niet op welke van deze onderscheiden grondslagen de maatregel is gebaseerd. Dit heeft onmiddellijk gevolgen voor de rechtmatigheid van de maatregel. Voor het inlezen van een niet aangekruiste grondslag bestaat geen ruimte, zo blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [3]
2. Het beroep is daarom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met onmiddellijke ingang.
3. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank als zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 11 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1100,-.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 november 2023;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1100,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op pagina 1 van het bestreden besluit.
2.Op pagina 4 van het bestreden besluit
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3593), met daarin de verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2023:1528).