In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd aan eiseres op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is reeds meerdere malen getoetst in eerdere vervolgberoepen, waarbij telkens de rechtmatigheid werd bevestigd.
Eiseres betoogt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend is in de uitzettingsprocedure naar China, onder meer door het ontbreken van een tolk tijdens het laatste vertrekgesprek en het uitblijven van reacties van de Chinese autoriteiten op de aanvraag voor een laissez-passer. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris na 19 september 2023 meerdere malen heeft gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten en dat de aanvraag niet langer dan zes maanden loopt.
De rechtbank oordeelt dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. De staatssecretaris wordt in de gelegenheid gesteld de bewaring voort te zetten in afwachting van het resultaat van de lp-aanvraag. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.