ECLI:NL:RBDHA:2023:1721

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
NL23.743 en NL23.745
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vw 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Twee Syrische broers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Nederland had op 11 juli 2022 een verzoek tot overname aan Italië gedaan, dat op 7 september 2022 werd aanvaard.

Eisers voerden aan dat de motivering van de staatssecretaris onvoldoende is, met name met betrekking tot push backs in Italië en de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwezen naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die volgens hen wijzen op tekortkomingen in het Italiaanse asielsysteem.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reëel risico lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in Italië. De door eisers aangehaalde push backs en systeemfouten zijn onvoldoende zwaarwegend. Ook is geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden die een uitzondering op overdracht rechtvaardigen.

De beroepen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard en de asielaanvragen blijven niet in behandeling in Nederland. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-inhoudelijke behandeling van de asielaanvragen worden kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.743 en NL23.745

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam]

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer]
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer]
beiden van Syrische nationaliteit,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij separate besluiten van 9 januari 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers (die broers zijn) tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten ieder afzonderlijk beroep ingesteld. Daarnaast hebben eisers verzoeken ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze verzoeken staan geregistreerd onder zaaknummers NL23.744 en NL23.746. Hierop zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 11 juli 2022 bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard op 7 september 2022.
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voeren daartoe, onder herhaling en inlassing van de zienswijzen, het volgende aan. Eisers menen dat in de bestreden besluiten niet deugdelijk is gemotiveerd waarom de push backs niet in de weg staan aan verweerders standpunt dat ten aanzien van Italië zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers wijzen op de uitspraak van 13 april 2022 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2022:1043). De door eisers gestelde feiten in de zienswijze zijn door verweerder niet betwist. Evenmin is door verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom de systeemfouten in de Italiaanse asielprocedure niet fundamenteel zijn, noch waarom die tekortkomingen de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid niet bereiken in de zin van het arrest Jawo. De verwijzing naar het arrest Tarakhel wordt door eisers niet begrepen omdat bijzondere kwetsbaarheid niet aan de orde is en dus niet relevant voor de motiveringsplicht van verweerder. Met de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 21 december 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:13901) heeft verweerder evenmin aan zijn motiveringsplicht voldaan die volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022. Eisers verwijzen ten slotte naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 29 december 2022 met zaaknummer NL22.24566. Gelet op het voorgaande menen eisers dat verweerder de asielaanvragen aan zich had dienen te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eisers een reëel risico zullen lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) dan wel artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank is van oordeel dat eisers hier niet zijn geslaagd. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken [1] geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in onder meer de arresten M.T. tegen Nederland van 23 maart 20218 en A.B. e.a. tegen Finland van 27 mei 20219 geoordeeld dat de opvangvoorzieningen in Italië aan de daaraan te stellen eisen voldoen en dat overdracht aan Italië geen schending van artikel 4 van Pro het Handvest inhoudt. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan.
4.1.
De door eisers aangehaalde situatie over de push backs in Italië, maakt onvoldoende aannemelijk dat daaraan de conclusie moet worden verbonden dat Italië niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet of dat sprake is van dusdanige tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen dat eisers een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Italië heeft met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling te nemen, met inachtneming van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de verschillende richtlijnen op het gebied van asielrecht waaronder de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Bij voorkomende problemen met betrekking tot het verkrijgen van hulp, opvang en toegang tot de medische voorzieningen, of anderszins, ligt het op de weg van eisers om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Italië eisers niet zouden kunnen of willen helpen, of dat klagen bij voorbaat zinloos is.
4.2.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid, bijvoorbeeld wanneer bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft in redelijkheid mogen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Italië.
5. De beroepen zijn kennelijk ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, van 25 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:464 en van 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788, 26 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2497, 12 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2657, en meest recentelijk de uitspraak van 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3332.