Eiser diende op 14 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden een besluit genomen. De rechtbank stelt vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag sinds 15 mei 2022, omdat geen claimverzoek aan Italië is gedaan.
Eiser stelde verweerder op 15 augustus 2023 schriftelijk in gebreke, waarna hij beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een eerste gehoor moet afnemen en daarna het besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500 bij overschrijding.
De rechtbank wijst erop dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is, conform recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €209,25, rekening houdend met het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier V.M. de Waard en is openbaar bekendgemaakt op 31 oktober 2023.