ECLI:NL:RBDHA:2023:17668
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne niet onrechtmatig
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser, een derdelander uit Oekraïne, tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beoordeeld waarbij zijn tijdelijke bescherming werd beëindigd per 4 september 2023. De rechtbank bevestigt de bevoegdheid van verweerder om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep te beëindigen en oordeelt dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
Eiser voerde aan dat de beëindiging disproportioneel is vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, zoals werk, studie en integratie in Nederland. De rechtbank oordeelt dat verweerder het besluit zorgvuldig heeft genomen en dat het doel van de Richtlijn is om de opvangcapaciteit te beschermen tegen overbelasting. De belangen van eiser zijn onvoldoende concreet onderbouwd om de beëindiging als onevenredig te kwalificeren.
Verder oordeelt de rechtbank dat bij het opleggen van het terugkeerbesluit geen individuele belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro hoeft plaats te vinden en dat er geen strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de behandeling wordt niet aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.