ECLI:NL:RBDHA:2023:1773
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Rva-verstrekkingen na ontslag uit medische opname en afwijzing continuering
Eiser, een vreemdeling met uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 vanwege een medische opname, werd op 23 juli 2021 ontslagen uit het UMCG. Verweerder beëindigde daarop de Rva-verstrekkingen per 20 augustus 2021 en wees het verzoek tot continuering af. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang had omdat Rva-verstrekkingen ook zakgeld omvatten en niet alleen opvang. Het recht op opvang eindigde vier weken na ontslag uit het UMCG, conform de Rva 2005. Het enkele beroep op artikel 64 Vw Pro gaf geen recht op opvang. Ook het feit dat later alsnog uitstel van vertrek werd verleend, maakte het bestreden besluit niet onjuist.
Eiser voerde aan dat verweerder op grond van het evenredigheidsbeginsel contact had moeten zoeken met de staatssecretaris om spoediger besluitvorming te bewerkstelligen. De rechtbank verwierp dit en stelde dat het aan eiser was om een voorlopige voorziening te vragen voor opvang tijdens de procedure, wat niet was gedaan.
Verder ontbrak een medische onderbouwing dat het stopzetten van opvang tot een acute medische noodsituatie zou leiden. Verweerder had terecht geoordeeld dat het BMA-advies niet volstond omdat het niet inging op de gevolgen van het beëindigen van opvang. De rechtbank concludeerde dat verweerder bevoegd was de Rva-verstrekkingen te beëindigen en het verzoek tot continuering terecht afwees.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Rva-verstrekkingen is ongegrond verklaard en het verzoek tot continuering afgewezen.