Uitspraak
DE RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Ovenvegingen
Kop/ en liberda tegen Oostenrijk,ECLI:CE:ECHR:2012:0l l 7JUD000159806.
Rechtbank Den Haag
Eiseressen, twee minderjarige vreemdelingen zonder bekende nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan om bij hun broer in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna eiseressen bezwaar maakten en beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden had meegewogen in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro. Daarbij werd onder meer meegewogen dat eiseressen nooit eerder een verblijfsvergunning hadden gehad, dat het ging om een eerste toelating en dat er onvoldoende bewijs was dat zij niet door hun moeder verzorgd konden worden.
Verder vond de rechtbank dat de tegenstrijdige verklaringen over het huwelijk van de moeder en het gebrek aan intensief gezinsleven met de referent (broer) een rol mochten spelen. De belangenafweging viel daardoor in het nadeel van eiseressen uit, waarbij het algemene belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog.
De rechtbank wees het beroep af en kende eiseressen vrijstelling van griffierecht toe wegens betalingsonmacht. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.