ECLI:NL:RBDHA:2023:18534

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2023
Publicatiedatum
1 december 2023
Zaaknummer
NL23.36091
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Libische vreemdeling, is sinds 3 augustus 2023 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste of de maatregel vanaf 12 oktober 2023 rechtmatig was.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting naar Tunesië, dat er geen zicht op uitzetting was en dat de belangenafweging in zijn voordeel moest uitvallen vanwege vermeende detentieongeschiktheid en onvoldoende medische zorg. De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk voortvarend handelde, onder meer door vertrekgesprekken en rappels bij Tunesische autoriteiten.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk zicht op uitzetting is, mede omdat eiser onvoldoende meewerkt. Ook was er geen bewijs dat de detentie onredelijk bezwarend is. De eerdere uitspraken van de rechtbank werden bevestigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36091

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 21 november 2023.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2001 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep op 12 oktober 2023.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Aan het vertrekgesprek van 16 oktober 2023 kan niet de waarde worden gehecht die verweerder daaraan wenst te hechten, omdat dit gesprek op initiatief van eiser en zonder tolk heeft plaatsgevonden. De rappels aan de Tunesische autoriteiten zijn plichtmatig en voegen daarom weinig tot niets toe aan de voortvarendheidseis. Daarnaast voert eiser aan dat er geen zicht op uitzetting is. Verder voert eiser aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Eiser meent dat hij niet detentiegeschikt is en heeft op 15 september 2023 gevraagd aan de medische dienst van het detentiecentrum om de detentiegeschiktheid te onderzoeken. Dit onderzoek heeft echter nog steeds niet plaatsgevonden en eiser heeft hierover een klacht ingediend bij de Commissie van Toezicht van het detentiecentrum. Nu eiser wordt genegeerd door de medische dienst en adequate medische zorg ontbreekt, is de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend.
Voortvarend handelen
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting
van eiser werkt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder sinds 12 oktober 2023 twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en twee keer heeft gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de rappels en het vertrekgesprek van 16 oktober 2023 niet betrokken dienen te worden bij de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend handelt. Dit zijn immers handelingen ter voorbereiding van de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 21 juli 2023 een aanvraag voor een lp [3] is verstuurd naar de Tunesische autoriteiten. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 augustus 2023 reeds geoordeeld dat verweerder mocht afgaan op de aanwijzing van een tolk dat eiser mogelijk uit Tunesië afkomstig is. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Tunesische autoriteiten geen lp zullen afgeven. De verstreken tijd sinds het indienen van de lp-aanvraag maakt niet dat daar op voorhand twijfel over bestaat. Eiser kan het traject bespoedigen door zijn medewerking te verlenen, wat hij verzuimt. Zo volgt uit het vertrekgesprek van 16 oktober 2023 dat eiser in vrijheid wil meewerken, maar niet gedurende de bewaring. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet gesteld worden dat geen zicht op uitzetting bestaat. [4] Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
6. Verder is niet gebleken van omstandigheden die de maatregel van bewaring voor
eiser onredelijk bezwarend maken. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Dat het onderzoek naar detentiegeschiktheid volgens eiser onvoldoende voortvarend verloopt en dat hij daarover een klacht heeft ingediend, waarop nog niet is beslist, is onvoldoende om de belangenafweging in eisers voordeel te laten uitvallen. De rechtbank verwijst verder naar haar uitspraak van 18 oktober 2023, waarin is geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg in het detentiecentrum in zijn geval niet toereikend is. Niet is gebleken dat dat oordeel niet langer stand kan houden.
Ambtshalve toets
7. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat het voortduren van de
maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek onrechtmatig
was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraken van 14 augustus 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:12351), 22 september 2023, (ECLI:NL:RBDHA:2023:14589) en 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:15959).
3.Laissez-passer.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707.