ECLI:NL:RBDHA:2023:18664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
NL23.36116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 1 september 2023. Het geschil betrof de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring sinds die datum.

Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, mede omdat hij nog niet is gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten en een laissez-passer (LP) nog niet is afgegeven. De rechtbank overwoog dat in het algemeen wel zicht bestaat op uitzetting naar Marokko en dat er geen aanwijzingen zijn dat de LP-aanvraag van eiser is afgewezen. Daarbij speelt mee dat het LP-traject meerdere maanden kan duren, zeker als de vreemdeling geen identiteitsdocumenten overlegt.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, wat van hem wordt verlangd volgens vaste jurisprudentie. Eiser heeft verklaard niets te doen om terugkeer te bewerkstelligen omdat hij niet wil terugkeren. Ook het beroep op een eerdere uitspraak van de rechtbank Roermond leidde niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de maatregel van bewaring rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36116

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 juni 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank van deze voortduring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 22 november 2022 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van
20 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9075. Vervolgens is al eerder een vervolgberoep ingesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13791. In deze uitspraak staat dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 1 september 2023, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting van eiser naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser verblijft inmiddels 7 maanden in bewaring en al op 11 mei 2023 is een verzoek om afgifte van een LP [1] ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser is verder tot op heden nog niet gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser beroept zich op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 17 oktober 2023. [2]
5. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Marokko. [3] De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken. Immers niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser de LP-aanvraag hebben afgewezen of geen LP zullen verstrekken. Bovendien gaat in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid met een LP-traject, te meer als de vreemdeling, zoals in dit geval eiser, geen enkel document betreffende zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Daarnaast werkt eiser niet volledig en actief mee aan zijn uitzetting. Zo heeft eiser meerdere keren verklaard dat hij niets heeft ondernomen om terugkeer naar Marokko te bewerkstelligen omdat hij niet wil terugkeren. Het beroep van eiser op de uitspraak van zittingsplaats Roermond leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste Afdelingsjurisprudentie [4] volgt dat van eiser volledige medewerking aan zijn uitzetting wordt verlangd. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet wordt gesteld dat geen zicht op uitzetting bestaat. Tot slot geldt dat de Marokkaanse autoriteiten niet langer voor alle LP-aanvragen een presentatie in persoon vereisen zodat ook deze beroepsgrond van eiser niet slaagt.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Laissez-passer.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, en 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707.