Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1961 in Marokko, eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
2019is een lp-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten gezonden. Op 3 februari 2023 hebben de Marokkaanse autoriteiten bevestigd dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft meerdere malen zijn medewerking aan een geplande presentatie geweigerd, maar op 5 april 2023 is eiser in persoon gepresenteerd bij de vertegenwoordiging van de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft meer dan 50 keer bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd op de lp-aanvraag van 30 april 2019.
4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2092, onder 6.1, volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat van een vreemdeling in de eerste plaats mag worden verwacht dat hij voldoende meewerkt aan terugkeer naar zijn land van herkomst (uitspraak van 5 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9987, onder 2.2.3). De mate waarin een vreemdeling voldoet aan zijn verplichting tot medewerking kan hem echter alleen worden tegengeworpen als dit van betekenis kan zijn voor het slagen van zijn uitzetting (zie de uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:430, onder 4). Uit de uitspraak van 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:695, onder 5.1, volgt dat voor het zicht op uitzetting mede bepalend is of de autoriteiten van het land van herkomst voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten.
.Omdat de bewaring onrechtmatig zou worden indien deze voortduurt na de dag dat de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt dus afgewezen omdat eiser tot aan het rechtmatigheidsonderzoek door de rechtbank vandaag niet onrechtmatig in bewaring is gehouden. Dit betekent dan ook niet dat de aanspraak van eiser op schadevergoeding in strijd met de jurisprudentie van het EHRM teniet is gedaan. Het betekent enkel dat de rechtbank de voortduring van de maatregel tot aan het rechtsmatigheidsonderzoek rechtmatig acht.
Beslissing
mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.