ECLI:NL:RBDHA:2023:18965
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en hechte banden
Eiseres verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij haar zoon, die een asielvergunning heeft. De staatssecretaris wees dit verzoek af wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoon en diens gezin, en het ontbreken van hechte persoonlijke banden met haar kleinkinderen.
De rechtbank toetste het beroep aan het gewijzigde toetsingskader voor artikel 8 EVRM Pro, waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden tussen de persoonlijke belangen van de betrokkenen en het publieke belang van de Nederlandse staat. De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normale emotionele banden of financiële afhankelijkheid.
Ook was er geen bewijs van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen, aangezien de primaire zorg bij de moeder lag en eiseres slechts een gebruikelijke grootouderrol vervulde. De rechtbank vond dat de staatssecretaris de belangenafweging zorgvuldig en gemotiveerd had gemaakt, waarbij ook de economische belangen van de Nederlandse staat meewegen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.